Je kind bouwt nu zijn basale motoriek verder uit. Hij gaat steeds beter rennen, springen en klimmen. Het is daarbij van groot belang om kinderen zoveel mogelijk ongehinderd hun gang te laten gaan. Laat hem vooral niet te veel binnen spelen. Buiten zijn de mogelijkheden om te rennen, klimmen en lekker te ravotten veel groter.
Door veel te bewegen, leren kinderen inschatten, wat hun mogelijkheden zijn. Ze ervaren dat ze best van een boomstronk op de grond kunnen springen en dat – aan mama’s hand - over een omgevallen boom lopen, een koud kunstje is.
Het evenwichtssysteem, de tastzin en het houdings- en bewegingsgevoel van kinderen wordt steeds verder uitgebouwd. Je peuter kan nu bijvoorbeeld in een stilstaande trein vaststellen, dat niet hijzelf beweegt, maar de trein waar hij naar kijkt.
Ook kan je kind nu goed het verschil voelen tussen een helling en een vlak stuk weg en daar zijn lichaamshouding op aanpassen. Veel kinderen zullen het nu leuk vinden om liedjes met bewegingen (‘In de maneschijn’) te leren, op stoelen en tafels te klimmen, of zonder hulp van de
glijbaan af te gaan.