Hilde Marx, pedagoge: “Peuters maken nog geen onderscheid tussen werkelijkheid en fantasie en nemen alles letterlijk. Als oma in de tuin mompelt dat ‘die vreselijke slakken alles opeten’, kan een drie- of vierjarige die tuin gaan mijden uit angst door de slakken opgegeten te worden. Of: als een ballon lekgeprikt kan worden, denkt je kind, dan kan ik ook leeglopen.
Dankzij dit zogenoemde ‘magisch denken’ is de wereld voor peuters en kleuters erg spannend. Enge dromen zijn een middel om die spanningen te verwerken.
Is je kind totaal in paniek, lijkt ze ontroostbaar en nauwelijks wakker, dan kan er sprake zijn van ‘nachtangst’.
Het verschil met nachtmerries is dat deze – onschuldige - nachtangsten alleen in de avond voorkomen, tot zo’n 3 uur na het inslapen. Ze zijn het gevolg van een zich ontwikkelend zenuwstelsel. Wakker maken heeft geen zin. Blijf rustig bij je kind zitten. Na een minuut of tien slaapt zij vanzelf weer rustig verder zonder het zich te herinneren.
Zeg na een nachtmerrie liever niet tegen je kind dat het onzin is wat je kind droomde, dat het niet echt is of dat je kind zich niet aan moet stellen. Daarmee neem je haar niet serieus. Voor haar is het wél echt. Bevestig dat het eng is wat ze droomde. Je kunt je kind troosten door haar gerust te stellen, houd haar vast, zeg: ‘ik ben bij je’, zing een liedje, geef een slok water of blijf bij haar tot ze in slaap is, net wat bij jullie past.”