Vanaf een maand of 9 kunnen kinderen extreem angstig reageren als ouders de kamer verlaten. Dit wordt separatie angst genoemd, en hoort bij de normale ontwikkeling. Deze angst verdwijnt meestal rond de 18 maanden. Er kunnen periodes zijn waar deze angst terugkomt, bijvoorbeeld als een kind voor het eerste naar de peuterspeelzaal of basisschool gaat. Meestal gaat dit vrij snel weer over.
Als deze angst of spanning niet verdwijnt, kan er sprake zijn van verlatingsangst. Het kind is dan overmatig gespannen of angstig als de ouders er niet zijn of heeft erg veel heimwee in een onbekende omgeving. Kinderen kunnen hier heel veel last van hebben en het kan ze erg beperken, bijvoorbeeld omdat ze niet durven logeren of bij iemand durven spelen.
Als de verlatingsangst mild is kun je jouw kind helpen door bijvoorbeeld even in de buurt te blijven als ze ergens gaan spelen, of zeggen dat ze kunnen bellen als het niet gaat en dat je hem dan komt halen.
Vermijden van omstandigheden waar het kind angstig van wordt, houd het gedrag alleen maar in stand. Beter is het om te zorgen dat je kind succeservaringen krijgt, en leert dat de angst die hij of zij heeft niet reëel is.
Als de angst heel hardnekkig is, kan een kind gebaat zijn bij wat hulp van bijvoorbeeld een orthopedagoog die met het kind gaat werken aan deze angst. Een goede manier om angstig kinderen te helpen is door middel van cognitieve gedragstherapie.